Citytripje Lissabon.

Onze trip in Portugal stopte niet bij het kleine weekje Azoren: tijd voor Lissabon, de stad van de Azulejos, de tegeltjes met typische print, maar van nog zoveel meer!

Azulejos
Azulejos

Ook hier zochten en vonden we een AirBnB in Bairro Alto, het oude stadsgedeelte van Lissabon. Een eerste tip van de eigenaar: huur géén auto voor vervoer in Lissabon zelf: een voltreffer. Kleine straatjes en veel te druk op de andere straten. Uber doet hier gouden zaken: veel goedkoper dan een gewone taxi en even snel. Misschien wel net dat tikkeltje avontuurlijker, gezien ze op de luchthaven allemaal op de zelfde plaats stoppen en vertrekken en zowat alle toeristen hetzelfde plan hebben. Ons appartement heeft geen airco en ramen moeten dicht wat betreft potentiële diefstal: welkom in de sauna! Gelukkig is er een ventilator. Het is middernacht voorbij, tijd voor een bed.

De komende drie dagen ontbijten we bij Fauna & Flora, de ultieme ontbijtplaats voor de lokale en niet zo lokale hipster vlakbij ons appartementje. Een uitgebreide kaart met pannenkoeken (mijn favoriet!) en boterhammen vol lekkere, gezonde zaken, smoothies en sapjes: lekker! (al was niet alles even vers – zoals bijvoorbeeld de sapjes). Andere winkeltjes in de buurt zijn supergoedkoop in vergelijking met het toeristische centrum. Dat kan wel eens handig blijken met het warme weer: de waterprijzen swingen de pan uit naarmate je dichten bij het centrum komt.

De rage van de steps is hier ook al toegeslagen: Vooral aan het water staat het vol stepjes van allerhande merken. Het fietspad lijkt er wel voor aangelegd. Wij kiezen ervoor om alles te voet, de trein of de bus (je kan dagtickets kopen) te nemen. Een ja, één keer nemen we ook heel decadent de Uber voor een paar kilometer naar de wondere wereld van het Oceanario. (Onderwaterwerelden: we krijgen er nooit genoeg van).

Elke stad die zichzelf een beetje respecteert, heeft z’n eigen foodmarket, zo ook Lissabon: de Time Out Market. Een grote hal met tientallen standjes met letterlijk alle soort eten. Van simpele snacks tot uitgebreide maaltijden. Dit alles in een modern kader, met voldoende zitplaats. En voor de mensen met kleine blaas: hier kan je een gratis toilet scoren.

Praca Do Comercio met z’n Arco do Triunfo is waarschijnlijk zowat het bekendste plein van de stad, maar de rest van Alfama is ook zwaar de moeite. In Alfama rijdt de befaamde Tram 28. Dit is een tram gelijk een ander, ziet er wel een beetje anders uit (ouder, authentieker), maar heeft vooral het nummer 28 op zich geplakt gekregen. Blijkbaar voldoende om heel de dag door stampvol te zitten. Wij laten hem keer op keer passeren, maar niet zonder er een aantal foto’s van te nemen: we blijven toeristen en de straten zijn hier zo fotogeniek. 

Tram 28
Alfama

De straten gaan steil omhoog en leiden naar het Castelo de São Jorge, het kasteel op de heuvel met een zeer mooi uitzicht over de hele stad. Leuk extraatje (wij zijn fotografiestudenten!) is de camera obscura die heel de stad in beeld brengt. Wel even opletten, want er zijn sessies elke twintig minuten in het Spaans, Portugees en het Engels en de plaatsen zijn beperkt. Wij zaten uiteraard in de Spaanse (geen zin om nog eens 20 minuten extra te wachten!), maar konden al bij al nog wel volgen.

Volgende stop: Belem! Een wijk die elke toerist in Lissabon moet afvinken:

  • Vinkje 1: Padrao dos Descobrimentos: Een monument met beelden van alle mensen die Portugal de laatste paar honderd jaar groot gemaakt hebben. Je kan er niet naast kijken als je uit de trein stapt. Dit was dan ook onze eerste stop.
  • Vinkje 2: Santa Maria de Belem: De bekende toren, die veel kleiner uitvalt dan wat we verwacht hadden. Twee keer zijn we langsgeweest, de eerste keer was er een festival aan de gang, de tweede keer was dit gelukkig opgeruimd en konden we daadwerkelijk tot bij de toren. 
  • Vinkje 3: Mosteiro dos Jeronimos: Het klooster dat je gezien moet hebben. Bij ons bleef het bij de buitenkant. De ene keer was het gesloten, de andere keer was de rij net wat te lang. De buitenkant was zeker de moeite en de reviews op TripAdvisor deden ons sowieso wat twijfelen.
  • Vinkje 4: Pastéis de Belém: Voor de echte moet je bij de Confeitaria de Belém zijn. Op het internet las ik ergens dat ze daar op topmomenten tot 20.000 pastéis per dag verkopen. Het is artisanaal bandwerk. In meerdere rijen staan mensen tot op straat aan te schuiven voor de Portugese lekkernij. Liefst zo snel mogelijk op te eten (lekker vers en nog een beetje warm), een heerlijkheid!
  • Extra Vinkje: Het Berardo Museum of Modern and Contemporary Arts: een klein (je bent snel rond) museum met hedendaagse kunst. Op zich vonden we het niet meteen spectaculair, maar de kaartjes waren gratis op zaterdag, dus mooi meegenomen.
Padrao dos Descobrime
Santa Maria de Belem
Berardo Museum of Modern and Contemporary Arts

Een laatste aanrader hoor ik je zeggen? Voor mensen die van Streetart houden? Lissabon staat/hangt vol Streetart. Je kan er haast niet naastkijken. We vonden een aantal wandelingen terug, maar uiteindelijk hielden we het bij ‘rondwandelen’ en een bezoekje aan de Underdogs Gallery (kunst aan de muur, bij ons bezoekje helaas wel net enkel de winkelruimte open wegen het installeren van een nieuwe tentoonstelling).

Het verdict: In Lissabon kan je gemakkelijk 3 à 4 dagen rondlopen (en dan heb je Syntra nog niet gedaan) en samen met de massa’s toeristen genieten van de pracht en praal. Ideale citytrip. Veel te lang uitgesteld.

Een weekje Sao Miguel (Azoren, Portugal)

De Azoren zijn een spreekwoordelijke scheet groot, maar hebben een rijke geschiedenis en je bent er toch een tijdje zoet mee. Onze trip liet ons helaas enkel toe Sao Miguel (het meest bezochte eiland) gedurende een kleine week te bezoeken. In de staan de andere eilanden zeker nog eens op het programma. Nu voelt het toch of we daar toch wat gemist hebben.

De weg naar Ponta Delgada (grootste stad van het eiland) was lang en vervelend. Om één of andere duistere reden konden we ons vliegtuig niet op en moesten we overgeboekt worden naar een andere vlucht (Lissabon in plaats van Porto). Onze nieuwe vlucht naar Ponta Delgada stond helaas pas laat op de avond gepland (in plaats van de vroege namiddag), en dus kwamen we pas 9 uur later op onze bestemming aan. Gelukkig konden we onze rental car nog ophalen en Ricardo, onze host van de AirBnB die we gevonden haddden, lachte ook nog, al was het iets groener dan normaal. 

Ons hoofddoel op het eiland was naast  enkele mooie wandelingen maken ook onze duikkunsten opfrissen. Het was nu reeds anderhalf jaar geleden (laatste keer in Taiwan tijdens onze 6 maanden durende trip), maar we hadden er zin in en dus boekten we op voorhand 6 duiken, Eén duik extra: een opfrissingsduik (ondiep water, enkele oefeningen, basistechnieken, …) om toch wel zeker te zijn dat we niet onmiddellijk zouden verzuipen. We deden dit via Best Spot Azores, één van de vele duikorganisaties in Ponta Delgada. Zij kwamen er als beste uit op Tripadvisor en de ratings waren zeker correct (zowel de duiken als de instructeurs). 

We zijn alweer wat mooie ervaringen rijker (geen foto’s deze keer helaas): het onderwaterleven is enorm boeiend. Bij één van onze duiken gingen we zelfs op zoek naar een gezonken oorlogsschip (bijnaam “Dori”), weer iets om van onze bucket list te schrappen. Wegens problemen aan het oor, kon Anneke helaas de laatste duik niet meemaken. Ik ademde terwijl duidelijk voor twee, want zonder mijn divebuddy Anneke, bleek ik extra veel en onrustig te ademen. Gelukkig zijn er altijd bekwame instructeurs in de buurt die nog wel wat extra perslucht overhebben. 

Duiken: we kunnen het iedereen aanraden! (enkel de droge lucht en het hongergevoel achteraf – dat dan weer door die uitdroging komt – moet ik nog steeds gewoon aan worden). Niet twijfelen.

Tijdens ons tripje op het eiland leerden we alvast ook een aantal Portugese woorden kennen. Eén daarvan was alvast: Miradouro ofte uitzichtspunt. Het eiland lag er vol van. Stuk voor stuk waren het (de meeste dan toch) mooie uitzichten over meren, heuvels, de zee of kleine dorpjes. Meer dan een auto en een GPS heb je niet nodig. Het eiland is klein genoeg om deze uitzichtpunten (of toch een selectie ervan) op één dag te doen. Onze toppers: Vista do Rei, Lagoa do Fogo, Pico do Ferro en Grota do Inferno (het meest Instagram-waardige plekje). De meeste van deze punten zijn te bereiken na een korte wandeling (de wegen er naartoe zijn helaas niet altijd even sexy).

Google bezorgde ons dit overzicht. Ben je wel even zoet mee!

Enkele andere zaken die ons zullen bijblijven:

Wandelingen en dorpjes:

De wandeling van Vista do Rei naar Sete Cidades (en terug). Het Vista Do Rei (uitzichtpunt van de koning), moet zowat het drukste punt van het eiland zijn. De eerste keer dat we hier met de wagen passeerden was het mistig en konden we geen 20 meter ver kijken. De tweede keer was het weer zeer helder en waren de uitzichten fenomenaal. Maar wat maakt dit punt nu net zo interessant? Allereerst: er is amper parking, dus op een druk moment moet je je wagen een kleine kilometer verder parkeren (bij ons het geval). Je komt dan op het uitzichtpunt terecht en hebt een fantastisch zicht op de omliggende heuvels, het meer en Sete Cidades, een klein dorpje aan een groot meer. De wandeling zelf loopt helemaal rond het meer en gaat zachtjes naar beneden (helemaal niet moeilijk dus). Tot helemaal op het einde, wanneer iemand ooit beslist heeft een overdreven steile weg naar beneden aan te leggen. Gedurende enkele honderden meters gaat het pad zo steil naar beneden dat we al helemaal ontmoedigd zijn om terug naar boven te gaan.

Beneden kan je wat drinken, maar valt er voor de rest weinig te beleven. De kortere route naar boven is maar half zo lang, maar dus wel heel de tijd klimmen, een uitdaging (de uitzichten zijn ook minder spectaculair, maar daarom is dit deel van de wandeling niet minder mooi).

Extra aan het Vista do Rei: Wil je het zicht nog een tikkeltje beter hebben, dan is er nog een andere (tijdelijke oplossing) onder de vorm van het Monte Palace Hotel. Ooit heel even (het werd meteen daarna gesloten) het beste hotel van de Azoren en Portugal, nu een leegstaand hotel. Vanop het dak van dit hotel heb je een nog beter en hoger zicht op de omgeving het Vista do Rei uitzichtpunt. 

Een achtergelaten hotel, helemaal leeg, alles volledig afgesloten, of toch net niet goed genoeg? Hoewel alle ingangen mooi afgesloten waren met hekken en extra muurtjes was het hotel een drukke bedoening. Na wat zoeken vonden we een ingang waar we moeiteloos binnenliepen. We voelden ons echte Urban Explorers, al viel het allemaal nogal mee. Eerlijk gezegd liep het het vol. Tientallen mensen volgen ons voorbeeld (net zoals wij het voorbeeld van anderen volgden). Er liepen wel een aantal ‘agenten/werklieden’ rond, maar die lieten iedereen begaan. Eens de werken echt starten, zal de toegang waarschijnlijk volledig verboden worden. Het hotel zou terug een hotel moeten worden.

Het Lagoa Do Fogo is een tweede mooi meer, met opnieuw een aantal mooie uitzichtpunten. Ook hier is een mooie wandeling aan verbonden, maar we vonden onze goede benen niet en hadden al twee duiken achter de kiezen. We hielden het dus bij een aantal stops.

Ook in de Azoren hebben ze het warm water al uitgevonden. Op verschillende plekken hebben ze zelfs warmwaterbronnen. In Furnas kan je het water zien borrelen (oh, wat ruikt dat toch goed). Voor twee euro per persoon geraak je het domein op (of je nu met de wagen bent of niet, ook wandelaars betalen dit) en kan je een hele dag rondhangen. De restaurants uit de buurt maken hier ook hun lokale stoofpotjes. Grote potten worden onder de grond begraven en worden op natuurlijke wijze opgewarmd.Het meer zelf kan je ook rondwandelen, we zouden onszelf niet zijn, moesten we dat niet eens geprobeerd hebben (Wandeling rond het meer in Furnas). 

Het kleine dorpje Ribeira Grande bezochten we op een speciaal moment. Er ging net een processie ter ere van Jezus losbarsten: heel het dorp was in rep en roer, alle straten waren mooi versierd met bloemblaadjes in alle kleuren die in mooie motiefjes op de grond lagen en de lokale inwoner beschouwde dit duidelijk als een hoogtepunt. Spijtig genoeg waren we net iets te vroeg, maar tegen dat we vertrokken vertrok er al menig vuurwerkpijl de lucht in. Stadje? Klein en leuk. Extra evenementen? Extra leuk (maar vooral speciaal).

Restaurants:

Een mens moet eten en wij gaan toch steeds op zoek naar leuke restaurants die net dat ietsje beter zijn. Tripadvisor is onze beste vriend hier. Wetende dat mensen meestal zeer positief of zeer negatief zijn, moet je dit altijd met een korrel zout nemen. Hier alvast 2 van onze toppers:

Tasquinha Vieira

Een op het eerste zicht heel klein restaurantje dat bij de best gerangschikte restaurants van Ponta Delgada staat. Overheerlijke Portugese keuken in een gezellige setting. Reserveren kan wel noodzakelijk zijn. Het restaurant vult zich elke avond enorm snel. We gingen hier twee keer eten en vonden het twee keer fantastisch.

A Terra Fornara (Furnas Boutique Hotel)

Een restaurant in een groot ‘Boutique Hotel’. Even moeten zoeken, gezien het niet meteen in het centrum van Furnas lag. Zeer gezellige setting weg van de echte drukte van het centrum van Furnas met zijn ‘authentieke’ restaurants. Gevarieerde Portugese keuken, geserveerd binnen of buiten op het overdekte terras.Uiteraard kunnen we het lijstje nog aanvullen met een aantal niet zo fantastische restaurants, maar daar gaan we jullie niet mee vervelen!

Conclusie: Maar één van de eilanden bezoeken was misschien een fout, reden te meer om nog eens terug te gaan. Het leven onder water was de moeite, het weer boven water meestal dik OK. Moet je dit overwegen voor een volgende vakantie? Zeker! (Wandelen, natuur, duiken, …)

De Faeröer – Praktisch!

Een derde en laatste deel in onze Faeröer-saga. We hebben het al over onze wandelingen gehad en onze ‘perfecte’ reisroute uitgestippeld. Nu resten er ons nog wat praktische tips & tricks.

Dorpje

We vlogen met de combinatie KLM (naar Kopenhagen) – Atlantic Airways (de lokale luchtvaartmaatschappij) vanuit Amsterdam, naar Vagar dit in combinatie met een hotelovernachting + parking voor een week in het Marriott Courtyard Amsterdam Airport. Dit alles werd voor ons geregeld door de broer die voor een reisbureau werkt dat connecties legt. Tickets kosten aardig wat, het hotel + parking zijn betrekkelijk goedkoop (Aanrader als je vanuit Amsterdam vertrekt).

We huurden een gezellige kleine AirBnB in Tjornuvik, maanden op voorhand. Gezien elk beschikbaar huisje in elk klein dorpje een AirBnB bleek te zijn, geen rare keuze. Geen eigenaar gezien, maar wel vlot meer dan 100€ per nacht betaald. Alles werd online geregeld en dit ging vlot.

Tjornuvik, ons dorpje.

Verplaatsingen op de eilanden:

Je kan alles met het openbaar vervoer doen (of alles te voet, maar dat is voor echte avonturiers), maar het beste vervoer is toch wel de wagen. Zeggen dat wagens schaars zijn, is overdreven, maar de prijs doet het wel vermoeden. We betalen ons blauw voor de vele kilometers die we afleggen bij de auto die we huren bij Budget (via rentalcars.com), vooral omdat er een limiet van 100 kilometer per dag opgelegd wordt (en we daar vlot 450 kilometer overgaan).

Heel veel toeristen komen met hun eigen mobilhome. Niet altijd even evident op de soms heel smalle wegen, maar dus ook wel een optie.

Naadloos naar het volgende puntje: hoe veilig met de auto rijden in de Faeröer? (filmpje, link klikken!) Over het algemeen zijn de regels hetzelfde, maar je moet rekening houden met mist (lichten van de auto moeten altijd branden!), schapen, lange tunnels en tegenliggers (ook in tunnels). Van zodra je op zoek gaat naar de kleine dorpjes, veranderen de wegen allemaal in éénvaksbanen. Op deze smalle baantjes hebben stijgers altijd voorrang (tenzij het een bus of vrachtwagen is). Elke paar honderd meter zijn er plekken waar je de auto even opzij kan zetten om tegenliggers te laten passeren (deze dienen niet om zelf te parkeren!). Hetzelfde geldt voor tunnels. Iets schrikwekkender, maar alles verloopt steeds gecontroleerd.

Onze bolide.

Kledingvoorschriften:

Op voorhand hadden we ons voldoende ingelezen over een aantal zaken. Zo ook over de kleding die we dienden mee te nemen. Tijdens ons verblijf was de temperatuur steeds tussen de 10°c en de 15°c, niet bijster warm dus (maar normaal voor de Faeröer). We voorzagen ons dus van een aantal extra laagjes, maar we gingen niet zover als sommige andere toeristen (sommigen leken alsof ze naar de Noordpool gingen). Dit bleek voldoende. Houd wel rekening met mist en miezer die alles nat maken in geen tijd. Zolang je goed voorzien bent, is er geen probleem.

Voorschriften gevolgd.

Eten & Drinken :

In de meeste dorpjes die enige grootte hebben, heb je wel een lokale supermarkt. Vele daarvan zijn ook open op zondag. Het grote winkelcentrum waarover je veel leest als je een beetje Googelt (SMS), is dit niet en is eigenlijk ook niet echt de moeite om te bezoeken.

Restaurants zijn een grotere uitdaging. Wij hebben veeleer zelf gekookt om onze maagjes te vullen. In de grotere steden heb je wel een aantal deftige restaurants, in de kleinere is het vaak goed zoeken, of is er wel een lokaal “wafelkraam”. Tjornuvik had een kleine snackbar en het wafelkraam stond voor ons huisje (openingsuren al naargelang het weer en de goesting).

Wat is ons nog opgevallen?

Naast het occasionele wafelkraam hier en daar waren er een aantal zaken die steeds terugkwamen:

  • Het werd daar letterlijk nooit donker (je hebt ‘donker’ en ‘donker, donker’ uiteraard, en ja, de tijd van het jaar had er veel mee te maken.
  • Hoe klein een dorpje ook was, van zodra er meer dan 22 mensen woonde, leek het verplicht te zijn om een voetbalveld te hebben, steeds in uitstekende staat (velen ook met kunstgras).
  • Elk huis, waar er ook kinderen wonen, heeft een trampoline. Elk. Huis. We hebben er maar eentje zien wegwaaien.

Conclusie: 

Het leven is duur in de Faeröer, op zowat alle fronten! De wondermooie natuur krijg je er gratis bij. Een weekje is net lang genoeg om de meest belangrijke punten te bezoeken en het is een aanrader voor iedereen!

Nog meer vragen? Stel ze gerust!

Boottocht: Mist, schapen en rotsen
Seal Woman
Inwoner van de Faeröer
Klein dorpje.

Weekje Faeröer, van dag tot dag.

De Faeröer, van zondag tot zondag. Tijd genoeg om deze eilandengroep te verkennen. Een kort overzicht van hoe onze trip er uit zag en wie weet wel hoe jullie trip er zelf kan gaan uitzien in de toekomst?

Dag 0 (Zaterdag 13 Juli)

Aangezien we vliegen vanuit Amsterdam, rijden we met de wagen tot daar (kunnen onze auto bij het hotel achterlaten). We bezoeken het FOAM (fotografiemuseum) en kuieren rond in de straten. Uiteraard bezoeken we onze twee favoriete restaurantketens: Wagamama en Vapiano. Nog niets veranderd!

Dag 1 (Zondag 14 Juli) 

Na een veel te vroege (perfecte) vlucht, komen we in de vroege namiddag aan in Vagar Airport. Daar halen we de wagen op bij Budget Cars en trekken we naar Torshavn, de grootste stad op de eilandengroep.

We vinden een parkeerplaatsje en kuieren wat rond in het stadje (op zich ook niet eens echt groot). Om de honger te stillen eten we een veel te dure panini + koffie (betalen we al snel meer dan 30€ voor) en gaan we op zoek naar een winkel voor avondeten (we vinden zowaar een winkel die open is op zondag).

We trekken naar ons huisje in Tjornuvik en hebben een kalme namiddag. Meer dan even op het strand gaan wandelen en de twee straten die het dorp rijk is verkennen, zit er niet in. Voor ons huisje staan tientallen mensen wafels te eten, maar wij kunnen ons nog even inhouden.

Dag 2 (Maandag 15 Juli) 

We boekten onszelf een boottocht in Vestmanna, een populaire bezigheid bij toeristen. Deze brengt je langs de kustlijn van het eiland, met imposante kliffen, vogels en schapen. Wij vreesden vooral voor veel mist (zichtbaarheid op de rit naar het vertrek was maar enkele tientallen meters), maar dit viel uiteindelijk nog wel mee.

Voor of na de boottocht kan je eten in het restaurant van het Tourist Center. Geen uitgebreide kaart, geen gastronomische hoogvlieger, maar wel goed om de hongerige magen te spijzen (en weinig alternatieven)

Na de middag staat er nog een korte wandeling in Saksun op het programma. Het dorpje is slechts enkele huizen en een kerk groot. De wandeling is simpel maar mooi.

Dag 3 (Dinsdag 16 Juli) 

We beginnen met een bezoekje aan Gasadalur, een klein dorpje met bijbehorende waterval. Veel meer dan een waterval zien we eigenlijk niet, de mist is net dat ietsje te aanwezig.

3 eeuwen te vroeg komen we aan in Sorvagur, vanwaar we de boot nemen naar Mykines. Even zoeken (staat niet echt overdreven goed aangeduid), maar we mogen mee. De namiddag wordt gevuld met de lange, intensieve wandeling (met duizenden puffins), afgesloten met een drankje in een kelder van een klein cafeetje dat naar natte hond rook.

Mykines

Dag 4 (Woensdag 17 Juli) 

Vandaag rijden we vooral rond, en bezoeken we een aantal kleine dorpjes. Deze hebben allemaal dezelfde eigenschappen: ze zijn klein, zien er allemaal doods uit, maar ze hebben allemaal dat charmante Faeröer gehalte.

  • Fossa Waterval: geen dorpje, maar een grote waterval. Bij regenval zwelt deze enorm aan en wordt deze nog grootser.
  • Oyndarfjodur: onze eerste echte stop, ons eerste mooie uitzicht, onze eerste toiletbreak (alle dorpjes hebben openbare toiletten – win!).
  • Elduvik: Op zoek gegaan naar het cafeetje, niet gevonden. Hier komen we later nog eens terug naartoe gewandeld.
  • Gjogv: regen, het enige restaurant zat vol, diepvriespizza en wafel gegeten in de plaatselijke snackbar (10m² groot).
  • Slaettaratindur (geen stadje, maar een berg met een naam die eindigt op een naam van een dating-app): mist, letterlijk niets te zien.
  • Eidi: de dag begon naar z’n einde te lopen. Hier zijn we gewoon doorgereden.

Vanuit Eidi kan je Tjornuvik quasi zien liggen, maar gelukkig kunnen auto’s nog niet over het water varen en moeten de weg terug volgen, ongeveer 30 kilometer.

Dag 5 (Donderdag 18 Juli) 

Zeer vroeg opstaan om dan als eerste en quasi enige auto te staan wachten op de boot naar Kalsoy. Op het eiland zijn er twee stops: Trollanes en Mikladalur.

Trollanes heeft een wandeling met vuurtoren een kiosk (helemaal uit de richting) en een toilet. De wandeling is super en een absolute aanrader. Ook hier ruiken de toiletten naar natte hond.

In Mikladalur gaan we op zoek naar het bronzen standbeeld van Kopakonan (The Seal Wife). Het verhaal er achter is aandoenlijk (jagen op zeehonden die vrouwen worden en omgekeerd, ontvoeren en aan de ketting leggen om dan toch weer te ontsnappen …). In het kort: boze zeehonden.

We zetten ons in de rij voor de boot terug met nog een zee van tijd op overschot tot deze ons terugbrengt. De boot was overvol, dat was indrukwekkend. Je moet het meegemaakt hebben.

Onze laatste stop is Muli, opnieuw een typisch dorpje. Aantal vaste inwoners: nul. Enkel vakantiehuisjes. De weg er naartoe was een uitdaging (als in de weg was niet van hoogstaande kwaliteit – wat vrij normaal is, als er werkelijk niemand in dat dorpje woont). Een korte wandeling brengt ons naar een waterval. Voldaan keren we terug naar ons huisje.

Dag 6 (Vrijdag 19 Juli)

Vandaag staat de wandeling van Oyndarfjorour – Elduvik op het programma. Beide dorpjes bezochten we al eerder met de auto, maar nu gingen we de verbinding al wandelend maken. In totaal bijna tien kilometer heen en terug, niet al te moeilijk, maar wel enkele pittige steile en gladde stukjes. Voorzie voldoende eten en drinken. Je staat niet op 1, 2, 3 terug bij je wagen.

Een tweede wandeling is net wat pittiger. Het regent en is heel mistig. Toch trachten we de berg te beklimmen op weg naar het dorpje Leynar. We komen nooit aan, het water heeft onze schoenen doorweekt gemaakt en het kabbelende beekje is een stromend riviertje geworden. Geen zin om te gaan zwemmen, dus keren we maar terug. Bergaf gaat altijd sneller.

De schoenen worden voor de verwarming gezet in de hoop dat ze de volgende dag weer droog zullen zijn (dat zijn ze).

Dag 7 (Zaterdag 20 Juli) 

Opnieuw naar Klaksvik, maar nu slapen we wat langer uit. Vanuit de haven vertrekken we op een wandeling naar Klakkur. Deze lange en (zeker) tegen het einde ook vrij intensieve wandeling houdt ons bezig tot in de namiddag. Daarna rijden we nog wat rond, maar de wandeling van bijna 11 kilometer heeft ons wat uitgeput.

We rijden nog wat rond, en rijden dan voor een laatste keer richting Tjurnuvik.

Dag 8 (Zondag 21 Juli) 

Na een fotoshoot van ons huisje voor het nageslacht vertrekken we voor een bezoekje aan het laatste stadje dat op ons programma staat: Kirkjubour.
Enkele huisjes en de oudste kerk op de eilandengroep. Daarnaast ook een Franse fotografieclub die op vogelspotting-tour was.

We leveren de auto terug in bij Budget (gewoon sleutel in de brievenbus steken) en zijn uren te vroeg in de luchthaven. Eén tip: verspil geen geld aan het eten dat ze daar verkopen. Het is het echt niet waard (het eten in de luchthaven van Kopenhagen dan weer wel).

Het busje van het hotel staat ons al quasi op te wachten. In geen tijd staan we terug aan onze auto. Na twee uur rijden staan we weer thuis.

Eind goed, al goed.

Hiking in de Faeröer!

Begin juli trokken we voor een weekje naar de Faeröer. Gras, schapen, mist en wandelen zouden de codewoorden worden. En ja, ook een huisje met gras op het dak.

Wandelen dus – over de rest later meer ! Laten we eens overlopen waar we ons doorgeploeterd hebben. Zes wandelingen en 3 die het (net) niet gehaald hebben (Links klikken voor nerdy statistieken!)

  1. Saksun (4,77 km – 1u 11 min)
Laat het gras maar groeien.

Nadat we het kleine dorpje verkenden, trokken we via een asfaltweg en grindpad richting de zee. Het was onze eerste echte wandeling op de Faeröer en gemakkelijk beginnen leek ons niet verkeerd. Het water leek heel rustig te zijn en vrij laag te staan. De bedding van de rivier was zeer breed. Een local stond te vissen met z’n zoon, geen idee of ze succesvol waren. Wij beschouwen onze eerste wandeling wel zeker als geslaagd!

Saksun
Saksun
  1. Mykinesholmur (5,83 km – 2u 8 min)

Vermoedelijk de bekendste wandeling op de Faeröer. Bekend vooral om z’n vele “puffins”, vogeltjes die hun nesten maken op de wanden van het eiland. Daarnaast – zoals op zovele eilanden, staat hier uiteraard ook een vuurtoren.

Je geraakt op twee manieren op het eiland: per helikopter, of per boot. Wij kozen voor de boot die slechts enkele keren per dag vaart en waar je dus best op voorhand dient te boeken (120 kronen voor een heen/terug-ticket). In de drukke periodes varen er extra boten, en betaal je ook net iets meer helaas (300 kronen – ongeveer 40 Euro – voor een heen/terug).

Er zijn een aantal wandelingen op het eiland, maar zowat iedereen kiest voor de wandeling naar de vuurtoren. Hiervoor dien je op voorhand online nog een ticket kopen (enkel tijdens de zomerperiode).

De wandeling gaat meteen steil naar boven. Gelukkig zit het daar boven vol met de beloofde puffins. Het verdere uitzicht is maar matig (mistig), De grote telelenzen worden bovengehaald en zorgen voor files.

Gelukkig staat er plots (ongeveer halverwege, net voor het punt waar je weer helemaal naar beneden moet klungelen) een ticketcontrole. Iedereen die tijdens de zomerperiode aan deze wandeling moet beginnen, moet online een ticket kopen (100 kronen). Sneu voor de mensen die dit vergeten waren, al hebben we wel niemand zien tegenhouden.

De weg naar beneden is een beproeving. Het weer van de afgelopen dagen (altijd?) had het pad zeer glad en glibberig gemaakt en het ging dan nog eens zeer steil naar beneden. Er geldt een verbod om te blijven stilstaan om foto’s te nemen. Begrijpelijk. Mensen vallen omver als ze hun focus verkeerd leggen (letterlijk).

Dan loop je weer helemaal tot beneden, is je volgende opdracht toch wel niet om weer helemaal tot boven te lopen (het laatste stuk naar de vuurtoren). Gelukkig is dit gewoon gras met enkele (vele) goedgeplaatste schapenmijnen.

Het zicht aan de vuurtoren is onbestaande. Na de obligatoire selfie (de vuurtoren is nog net zichtbaar) trekken we terug naar ons beginpunt. Het is verbazend hoe snel dit gaat (inclusief één keer spectaculair uitschuiven). We hebben dan ook nog een zee van tijd over en drinken nog iets in het enige cafeetje dat het dorp rijk is.

De zee is zeer wild bij onze terugvaart. Er komt zelfs een beetje zeeziekte bij kijken!

  1. Trollanes (Kalsoy) (3,68 km – 2u 34 minuten)

“Er is een wandeling naar een vuurtoren, maar daarvoor moeten we wel om 4u opstaan”. Ik was een beetje weigerachtig. We zijn al zoveel vroeg opgestaan voor die ‘perfecte zonsopgang’. Dit had echter niets met een zonsopgang te maken (om 4 uur ben je al drie eeuwen te laat), maar met een beperkte beschikbaarheid.

Voor deze wandeling op het eiland Kalsoy dienen we een boot te nemen en de plaatsen op deze boot zijn nogal schaars (tijdstabel boot). De verslagen die we vonden op het internet zeiden vrijwel allemaal dat haast en spoed hier kon helpen. Er pasten slechts 17 auto’s op de boot. Geen extra boten hier. We mikten om de boot van 6.40 om desnoods pas de boot van 8.00 te halen. Alle verhalen van mensen die de boot misten en zich dan urenlang moesten vervelen, die wilden we voor zijn!

Goed. Dat is dan een uur rijden, je bent dan 40 minuten te vroeg bij de boot, sta je daar … alleen. Helemaal alleen in rij nummer 2. Rij nummer 1 is voor locals en was ook nog helemaal leeg. Al die haast en spoed was dus misschien net dat tikkeltje overdreven? De boot vertrekt uiteindelijk met 4 auto’s (2 locals, 2 toeristen). Niet getreurd, plek genoeg voor ons op de parking (“ER IS MAAR PARKING VOOR 8 AUTO’s) en niet te veel volk in “DE VERSCHRIKKELIJK ANGSTAANJAGENDE TUNNELS”.

Goed. 1 auto op de parking: de onze. En die tunnels, dat was ook serieus overdreven. De Faeröer hebben dit allemaal zeer goed georganiseerd (De tunnels in Taiwan waren van een ander niveau). We beginnen helemaal alleen aan de wandeling. Het is mooi weer en de uitzichten zijn zelfs beneden al de moeite.

Via het ochtend-, middag- en avondmaal (voor de schapen dan toch) trekken we helemaal tot boven. Enkele stukken zijn nog lekker klad, maar we weten ons nog recht te houden. Af en toe kijken we eens achterom, maar we blijven nog steeds helemaal alleen. De berg is van ons!

Bovenaan, bij de vuurtoren hebben we het zicht dat we wilden: geen wolkje te bespeuren en zalig mooie vergezichten. Nog steeds geen andere wandelaars te bekennen.

Er is nog een optie om via twee smalle paadjes verder te gaan, maar die zien er wel echt heel smal, steil en glad uit. We houden het voor bekeken en vatten onze terugweg aan. Halverwege komen we dan eindelijk wat levende zielen tegen. Tegen het einde ben ik zo onder de indruk van het aantal toeristen dat ik me verstap, een mooie wenteling maak, tevergeefs grabbel naar iets dat er niet is en het fototoestel half in de modder plant. Gelukkig zijn er overal toiletten en kunnen we de schade beperken. Het fototoestel overleeft het.

Op Kalsoy kan je in het dorpje Mikladalur ook nog een wandeling maken naar het standbeeld van Kopakonan (Seal Woman), maar die is vooral heel steil naar beneden en niet erg lang. Het beeld is het bezoekje waard.

Varia: voor de rest is er eigenlijk niet echt wat te doen op het eiland. We komen een dikke twee uur te vroeg aan bij het kleine haventje. Eens de boot er is zien we wel wat ze bedoelen met de kunst van het ’17 auto’s op een auto krijgen’. Links, rechts, vooraan en achteraan slechts een aantal centimeter op overschot. Uitstappen zit er niet meer in.

Topwandeling, aanrader!

  1. Oyndarfjordur – Elduvik (9,86 km – 3u 56 min)

Een wandeling tussen twee dorpjes met onuitspreekbare namen (die tweede valt nog wel mee, dat geef ik toe). De zichtbaarheid is beperkt, het gras is nat en de schapen hebben goed hun werk gedaan. Wij naar boven!

Na een stevig klimmetje met een aantal poortjes die de schapen bij hun correcte eigenaar moeten houden, komen we bij een tamelijk plat stuk. Daar geraken we dus snel voorbij. Daarna begint het meer spannende stuk. We lopen langs de bergwand op een smal stukje waar het gras volledig kapotgelopen is. Er lijkt geen einde aan te komen, temeer omdat de zichtbaarheid nog steeds minimaal is. Een keertje te ver stappen en je houdt er een groene en/of bruine broek aan over.

We waren het al even vergeten, maar we hadden Elduvik al eerder kort bezocht. Een klein dorpje, waar niemand thuis lijkt te zijn en we voor de tweede keer quasi alleen rondlopen. Ook hier is een toilet naast het informatiebord (superhandig hier).

Na ons middagmaal (broodjes), trekken we nog even naar het water, de plek waar de boten (of eerder bootjes?) arriveren, een serieuze bergaf, helaas gevolgd door een serieuze bergop.

De terugweg is altijd sneller dan de heenweg en dat is deze keer niet anders. Net voor ons lopen twee Amerikaanse vrouwen. Ze houden er een stevige tred op na, maar sportief als we zijn, kunnen we hen toch bijhouden. Wanneer ze even stoppen, worden we aangesproken met de simpele vraag: “Waar gaat deze wandeling naartoe?”. Blijkbaar waren ze aan de wandeling begonnen zonder echt goed te weten waar ze naartoe liep. Daarenboven waren ze niet gekleed op slecht weer en hadden ze niets van drank of eten mee voor de wandeling die al snel 8 kilometer was heen en terug en meer dan 500 hoogtemeters kende. Ze vielen dus een beetje uit de lucht toen we hen droogweg konden vertellen dat we al aan onze terugweg bezig waren. Na een bedankje voor de info, liepen we weer verder en hebben we hen eigenlijk nooit meer teruggezien … We hebben ons nog dagen afgevraagd of ze het nu gehaald hebben of niet?

Bijna 10 kilometer later staan we terug aan onze auto, moe maar voldaan. We krijgen nog even gezelschap van een loslopende hond en rijden dan door naar onze volgende wandeling.

  1. Kollfjardardalur – Leynar (6,55 km – 2u 4 minuten)

Twee wandelingen op één dag, waarom ook niet (het was nog klaar buiten, echt de moeite niet om al naar huis te gaan). Het miezerde en we wisten niet goed waar te beginnen, maar uiteindelijk moeten we onze GPS geloven. De wandeling begint aan Kollafjorour bij de plaatselijke dienst voor landbouw (Straat: Frammi i Dal). Het was absoluut niet duidelijk waar de wandeling begon, maar gelukkig waren er enkele landgenoten die ons op het kaartje wezen dat op de deur van één van de gebouwen hing. Echt veel duidelijker was het nog niet, gezien onze omweg (zie link), maar de wandeling was vrij heftig. Een driehonderdtal hoogtemeters op ongeveer 3 kilometer. Nergens echt een pad te bekennen, we moesten ons focussen op hopen stenen om de weg te vinden. Onze schoenen werden al aardig nat, het zicht was nihil, maar we gaven niet op.

Opnieuw viel op dat de Faeröer het zo niet hadden met het correct weergeven van afstanden. Op papier was deze wandeling veel korter. Alles is steeds een beetje onderschat.

Op het tweede stuk van de wandeling was de weg duidelijker aangegeven en minder steil. We begonnen echter te twijfelen of we het einde wel zouden halen. Die schoenen werden nu wel heel nat. Toch besloten we nog even door te zetten. We kwamen aan bij een klein meertje met in de achtergrond een heuveltje met de mooie naam: Satan. We hadden het moeten weten.

We zijn nog een klein half uurtje doorgestapt, maar Leynar kwam maar niet dichterbij. Uiteindelijk kwamen we tot bij een riviertje waar het water zo hoog stond dat het quasi onmogelijk was om er heelhuids en semi-droog over te geraken. Toch maar terugkeren dan.

Aan een sneltreintempo lopen we de berg af. Onderweg spelen we onze rugzakhoes (tegen de regen) kwijt zonder het op te merken. Letterlijk één keer dienst gedaan. Spijtig!

Terug aan de auto zijn we doorweekt, gelukkig is het lekker warm in ons huisje en doet de airco wonderen om onze schoenen terug droog te krijgen. Speciale wandeling, maar wel de moeite.

  1. Klaksvik – Klakkur (10,75 km – 4u 4 minuten)

Een laatste volle dag op de eilandengroep en tijd voor een laatste wandeling. We trekken opnieuw naar Klasvik en parkeren ons bij de plaatselijke supermarkt (wat de wandeling wel wat langer maakt).

Deze wandeling zal ons naar de top van de Klakkur brengen, vanwaar we een mooi 360° zicht zouden moeten hebben. Je kiest zelf hoe lang je de wandeling maakt.

  1. Parkeren aan de FK supermarkt: Dit deden wij, reken ongeveer een extra kilometer.
  2. Parkeren aan de Kerk: het startpunt ‘volgens de boekjes’
  3. Parkeren helemaal bovenaan aan het einde van het grindpad: voor mensen met beperkte conditie, met een hoop kinderen, of mensen die het gezien willen hebben zonder al te veel moeite (al gaat het nog wel aardig omhoog). Wandeling is heen en terug nog een drietal kilometer.

De langste versie (nummer 1) brengt je al zigzaggend naar boven. We wandelen door de straten van Klaksvik waar duidelijk blijkt dat hier wel wat geld vertegenwoordig zit. Er worden mooie huizen gebouwd. Nog opvallend (en dat geldt voor heel de Faeröer): Overal zijn voetbalvelden en trampolines.

Waar het eerste deel gewoon gezapig omhoog gaat, gaat in deel twee het percentage omhoog. De asfaltweg gaat over in een grindweg. We krijgen er wel een mooi zicht op Klaksvik voor terug.

Je komt terecht op parking (Optie nummer 3 start hier), waarna de grindweg stopt en overgaat in een modderpaadje, plassen en hier en daar een trapconstructie opgevuld met kiezelsteentjes. Er lijkt geen einde te komen aan de weg naar boven en met dat stijgingspercentage (de laatste 500 meter stijgen we er nog 110), komt de vermoeidheid snel opzetten. We blijven steeds waakzaam: geen zin om enkele tientallen meter door het gras te rollen (ook al zijn hier slechts een zeer beperkt aantal schapen).

Het zicht is prachtig, en 360° zoals beloofd inclusief een mooi zicht op Klasksvik en het eiland Kalsoy. Een ideale plek om ons middagmaal te verorberen. Halverwege dat middagmaal slaat het weer om en verschijnen er grote wolken. Het zicht verdwijnt volledig en het begint te druppelen. De mensen die nu pas naar boven komen zijn er aan voor de moeite of zullen wat geduld moeten uitoefenen.

We wagen ons aan de weg terug (gelukkig niet al rollend) en staan vrij snel terug op de grindweg. Eens we terug in Klaksvik zijn, nemen we een aantal shortcuts (leve de gps op de gsm) en snijden we enkele honderden meters van de wandeling af.

We belonen onszelf met een donut. De verkoper is blij dat hij z’n Engels nog eens kan testen. Wij zijn blij dat we volledig van ons wisselgeld af zijn.

Hebben het niet gehaald …

Saksun – Tjornuvik

De wandeling tussen deze twee dorpjes, samen vermoedelijk nog geen twintig inwoners groot, stond  in de officiële gids van de Faeröer, maar daar stond ook dat het niet 100% veilig was zonder gids. Gezien de lengte, lieten we deze links liggen (ook al logeerden we in Tjornuvik)

Midvagur- Bosdalafossur

Als je deze wandeling Googelt, dan krijgt je zeer diverse resultaten. Prachtige foto’s en verheerlijkende reviews. Vanaf April 2019 veranderen die reviews echter allemaal in haatboodschappen en wel om deze reden: de eigenaar van het stukje land waarop deze wandeling zich bevindt, vraagt sinds dan de volle 200 Kronen per persoon (26 Euro!) om de wandeling van 45 minuten te mogen maken. Sorry, maar bedankt.

Villingardalsfjall

Heel lang getwijfeld over deze wandeling, gezien deze bij velen op nummer één staat. Daarna vooral naar onszelf gekeken: het was de laatste dag, we waren beide al redelijk moegewandeld van de voorbije week en net bij deze stonden de woorden “Diffucult” en “Slippery”. Wijselijk voor een andere wandeling gekozen (Deze: Klaksvik – Klakkur).

Meer weten over deze wandelingen? Laat een berichtje achter!

Een jaar geleden zaten we in Australië

Ondertussen zijn we reeds 7 maanden terug in België. Dat betekent dat we langer terug zijn dan dat we onderweg waren. En laat ons eerlijk zijn, het begint weer te kriebelen.

Mensen zeggen altijd dat eens je een huis gekocht hebt (ja, dingen kunnen snel gaan – dit was absoluut het plan niet) je het wel kan vergeten om nog snel op vakantie te gaan. Al die kosten, de banken die meteen achter hun geld zitten en die verdomde boiler die het al na twee maanden liet afweten. Niet dat we dit allemaal niet konden voorzien, maar toch, het pikt een beetje.

Het heeft enkele maanden geduurd vooraleer we weer volledig onze draai vonden. Terug aan het werk gaan verliep vrij vlot, maar vooral ik kreeg toch nog zeer lange tijd semi-koude rillingen van de woorden ‘rijst’ en ‘noedels’.

Het leven kabbelde voort. Het grootste deel van onze tijd werd toch opgeslorpt door werken en de inrichting van ons huis (#2800love enzo).

Nu echter, voelen we voor het eerst sinds meer dan een jaar wat ‘koud hebben’ betekent. Daarnaast kregen we van Wegwijzer VZW ook weer de vraag of we ook dit jaar een reisverslag zouden schrijven. Het korte antwoord daarop is: “Ja”, het lange: “ja, maar dat gaat toch nog even duren, want zes maanden in kaart brengen is toch wel wat lang en vooral veel werk”. Een verslag komt er zeker.

We zijn er nog niet honderd procent uit hoe dat verslag er zal uitzien, maar dat het lijvig zal zijn en dat het vol met foto’s zal staan, dat is wel duidelijk. Het zal een groot werk worden, met als begin het selecteren van de foto’s uit de collectie van 28.870 foto’s. Het verwerken van alle voorgaande bestaande blogposts maakt het dan allemaal weer wat gemakkelijker.

Daarna gaan we op zoek naar een nieuwe vakantiebestemming. Geen zes maanden deze keer (tenzij we plots met de Lotto gaan spelen en nog gaan winnen ook), een avontuurlijke 2 tot 3 weken moeten volstaan. Het zal nooit hetzelfde zijn, maar we hebben er dus wel zin in. Enig probleem: waar moeten we in hemelsnaam heen?

In ons hoofd zitten de volgende vereisten:

  • Niet te koud, zeg maar liever: warm
  • Een snuifje cultuur
  • Een snuifje natuur
  • Een hele zak duiken, want dat was toch wel de beste ‘nieuwe’ ervaring van onze trip.
  • En dit alles op een budgetvriendelijke manier (maar alles hierboven weegt zwaarder door)

Alle ideeën zijn welkom, want wij hebben er zin in! Laat maar weten we heen moeten!

IMG_20180325_211935_939

Opdracht: Doe vrijwilligerswerk of lever een positieve bijdrage aan iemands leven

‘Nooit nee kunnen zeggen’; dat is volgens menig vriend, vijand en psycholoog mijn zwakste punt. Soms vraag ik me af of anderen deze eigenschap van ver ruiken. Of misschien doe ik het mezelf altijd aan.

Toen Lukas me aansprak en ik besloot het gesprek aan te gaan, wist ik dus al lang hoe laat het was. Daar stond hij dan; in zijn witte T-shirt en met z’n lichtrood aangebrand gezicht. Hij leek zo van de Scouts weggelopen.

Heeft u zelf  al kinderen?’vroeg hij me.
‘Nee‘, mijn antwoorden blaken altijd van efficiëntie.
‘Ah nee, te jong‘, slijmde hij.
‘Als ik aan de andere kant van de wereld geboren was, had ik uw moeder kunnen zijn‘, sprak mijn innerlijke stem.

‘Wilt u later kinderen?’, ging hij verder.
‘Niet echt‘.

Ik zag de paniek in Lukas’ ogen toen zijn draaiboek door mijn antwoord in duigen viel.

‘Maar we zijn wel allemaal kind geweest‘. Een dooddoener die me er bijna toe aanzette om toch eens ‘nee’ te kiezen op de vraag die in de lucht hing. Maar zelfkennis is het begin van alle wijsheid en ik wist dat ik al te diep in het drijfzand weggezakt was.

Bij het vervolledigen van het domiciliëringsformulier kreeg Lukas het voor een laatste keer Spaans benauwd. De jeugdige enthousiasteling dacht even dat ik geboren was in 1998 – en dat ik dus wettelijk gezien geen maandelijkse donatie kon doen aan z’n goede doel.

‘Als 19-jarige zou ik hier nooit staan met twee zakken vol interieurparfum en geurstokken ter waarde van een half heelal‘, dacht ik bij mezelf.

‘Ah nee, 1988. Oef, oké. Ik dacht even 1998, dan ben ik geboren‘. Zo gaf Lukas toch nog wat informatie over zichzelf mee.

En zo verdubbel ik vanaf nu mijn maandelijkse bijdragen aan het goede doel. Een belofte die ik mezelf gemaakt had tijdens onze reis. Lukas wist niet dat hij zijn makkelijkste verkoop ooit zou doen vandaag. Ik wist niet dat het eindelijk tijd was om met de neus op de feiten gedrukt te worden: ondanks al het opzoekwerk had ik zelf nog geen extra domicilie gedaan.

Als er één opdracht is waar ik naar uitkeek dan was het deze wel: ‘Doe vrijwilligerswerk of lever een positieve bijdrage aan iemands leven‘. Als er één opdracht was waar ik het zélf Spaans benauwd van kreeg dan bleek het wel deze te zijn.

Urenlang heb ik vrijwilligersorganisaties opgezocht.
Enkele keren hebben we geld gegeven aan mensen die beweerden een plaatselijke charity te zijn.
Tientallen prulletjes heb ik gekocht van lokale eerlijke initiatieven.
Honderden keren heb ik geslapen in kamers die misschien niet prachtig waren, maar waarvan we het idee hadden dat we zo toch iets bijdroegen aan een plaatselijke familie.
En één keer leidde het tot een voedselvergiftiging.

Maar nooit had ik het idee dat het voldoende was. Stress kreeg ik ervan. Ik wil dan ook graag herinnerd worden als de uitvinder van first world stress, de opvolger van first world problems. Het bleek moeilijker om bonafide vrijwilligersorganisaties te vinden dan ik had gedacht. We hadden vonoldoende geld te hebben om structureel verschillen te maken. En soms bleken goede doelen helemaal niet zo goed te zijn. Wist je bijvoorbeeld dat je in Cambodja beter niet aan weeshuizen schenkt, omdat hier een hele weesindustrie achter draait?

Dus besloot ik tijdens De Grote Reis om in België mijn donaties te verhogen. Een (te) gemakkelijke oplossing, maar wel de oplossing waar ik me het best bij voel. Misschien vraagt Lukas zich nu nog altijd af waarom een vrouw zonder kinderwens toch zo snel inging op zijn vraag om ‘aan de kinderen te denken’. Wel Lukas, omdat jouw dooddoener klopt. We zijn allemaal kinderen. Alleen krijgen we niet allemaal dezelfde kansen.

IMG_20180327_213452_539

Dierenmishandeling en -diefstal is een probleem in Azië. We kozen er dus voor om enkele plaatselijke kattencafés te bezoeken om zo hun strijd tegen de (illegale) vleesindustrie te steunen.

IMG_20171210_103819_350

Happy fish should remain happy. De gigantische (plastic) vervuiling greep me naar de keel. Ik ben nog steeds op zoek naar een goed initiatief om hier te steunen. Voorlopig neig ik naar The Ocean Clean-Up. Om een klein steentje bij te dragen, probeer ik mijn consumptie plastic flessen te beperken.

IMG_20180119_210551_068

Kansen worden nooit gelijk verdeeld. En hoewel dat besef me versteende tijdens mijn reis, hoop ik alsnog dat ik vanuit België wél verschil kan maken.