Hoe het noorderlicht (niet) te spotten

Drie Britten, twee Italianen en twee Belgen… Het zou het begin kunnen zijn van een middelmatige mop, maar voor ons zijn het de ingrediënten die nodig waren om het noorderlicht te spotten.

Eerste pogingen

Zodra het vliegtuig touchdown had met Reykjavik Airport, zat ik voortdurend op de site van het Icelandic Met Office. Niet alleen om het weer als een maniak te volgen, maar ook om de aurora voorspellingen vanbuiten te leren.

Dat vanbuiten leren ging erg makkelijk, want verder dan Quiet en Low kwamen de voorspellingen niet. De leek in mezelf vertaalde deze voorspellingen als: ‘er is geen scheet te zien’. Tot de forecast wijzigde naar Moderate – plots zeiden IJslanders en plaatselijke gidsen ons dat we héél zeker het noorderlicht zouden zien. Als leek zou ik ‘moderate’ vertalen als ‘meh’, maar blijkbaar was het a big thing. En, zeiden ze al troostend, als we het de avond dat het moderate was niet zouden zien, dan zeker wel tegen het eind van onze vakantie.

Dus de avond dat het ‘moderate’ was, verliet ik ’s nachts de campervan om naar het toilet te gaan. Dat was al een hele prestatie, want het was al 48u code geel en ik had al even veel uur geen oog dicht gedaan door de hevige windstoten die onze camper heen en weer schudden. Ik keek naar de lucht en waar er bij het slapengaan nog geen enkele wolk te zien was, zag ik nu wat wolken. Ik keek nog wat verder naar de wolken; het was wel wat vreemd. Ik zag nergens felgroene dansende lichten, dus ik besloot ASAP de camper terug in te sprinten. De wind gaf de uitdrukking freezing my tits of een iets te letterlijke invulling voor mij. Bovendien waren we verzekerd dat we het zeker zouden zien.

Elke avond ging ik naar de lucht kijken, maar de voorspellingen bleven hangen op Quiet en Low. En de lucht, nu ja, die bleef zwart.

Vidgelmir Cave Tour

De sleutel tot het zien van het noorderlicht bleek helemaal niet te liggen in het kijken naar de lucht, maar wel in het volgen van een groepstour door een lavagrot in Zuid-IJsland. Nu ja, groepstour: we waren met acht – gids incluis – en waren hiermee ook de enige toeristen van de dag. Voor een tour waar normaal dagelijks 150 personen aan deelnamen, waren we dus een erg kleine groep. Dat maakte interactie niet alleen gemakkelijk, maar ook noodzakelijk. Niets zo awkward als acht mensen die niets tegen elkaar zeggen maar wel anderhalf uur samen door moeten brengen.

En zo kwam het dus dat we na heel wat corona-gerelateerde klachten tot leukere gesprekken kwamen en leerden dat het Italiaanse koppel op huwelijksreis was. Ze waren niet alleen op huwelijksreis: ze hadden hun vijfdaagse quarantaine afgesloten met het zien van het noorderlicht. Per ongeluk, want de man was uit hun camper gestapt om naar het toilet te gaan en had het noorderlicht zomaar gespot. Exact zoals ik dacht dat het zou verlopen bij ons. Tot overmaat van ramp had de vrouw er zevenduizend foto’s van gemaakt en begon ze deze spontaan te tonen.

In coronacontext is het héél moeilijk om foto’s te bekijken als je maar 1m64 bent. Maar de glimpsen van het camerascherm die ik tussen alle ruggen door zag waren zo groen als een kikker. En niet zomaar eender welke kikker, maar zo groen als onderstaande Glass Frog.

(Afbeelding: Wikipedia)

Ik zag ondertussen even groen van jaloezie als bovenstaande kikker. Haar man bleef intussen maar herhalen dat de foto’s helemaal niet overeenkwamen met de realiteit en dat de camera kleuren anders ziet. In al mijn verblindende jaloezie dacht ik dat hij bedoelde dat hun foto’s de werkelijkheid geen eer aandeden.

Tot onze Britse gids plots vroeg of het ook groen was. Beetje onhandig om kleurenblind te zijn als geoloog, dacht ik. De foto’s waren toch overduidelijk helgroen? Wat een vraag. Het antwoord van de twee Italianen was plots minder eenduidig. Ja, het was wel een beetje groen, misschien, ja, een hint, een vleugje, iets.

I’ve seen the Northern Lights a lot, but for me they almost always appear as a milky white substance, not green’, zei de Britse geoloog. En hij voegde er nog iets aan toe: ‘In mijn ervaring tonen de lichten zich het vaakst tussen 23u30 en 00u30 en dan nog eens rond 02u00. En meestal tonen ze zich zo ongeveer vijf dagen na elkaar’.

De voorlaatste avond

Het spreekt dus voor zich dat het plan onmiddellijk gemaakt werd om die avond te gaan spotten, ondanks de ‘low’ voorspelling. De Italianen hadden het licht namelijk de dag ervoor gezien, dus volgens de gids hadden we een verhoogde kans om het ook te zien.

Dus reden we om 21u30 naar een meer vlakbij Reykjavik waar geen lichten waren. En we wachten. En wachten. En bleven maar voor ons uit kijken in de auto. En we zagen niets. Letterlijk niets. Zelden reed er een wagen voorbij en werden we verblind door autolichten. Wat niet zo erg was, want er was toch niets te zien.

De laatste twee Britten

Nog vijf minuten, gingen we het geven. In die vijf minuten gebeurde er iets vreemd. Een wagen parkeerde zich naast ons. Twee mensen sprongen uit de wagen en begonnen dingen op hun wagen te plaatsen. De dingen… ze wezen naar achter ons. Was er daar iets te zien?

‘Gaan we uitstappen en ook kijken?’, vroeg ik.
‘Nee’, kreeg ik.

Hoe langer ik naar de vreemde objecten op de wagen keek, hoe zekerder ik was dat het fototoestellen waren. Waar neem je in godsnaam in het midden van de nacht foto’s van?

‘Ik ga uitstappen’, zei ik. Geen vragen meer.

Twee uur lang was ik al voor me uit aan het kijken in de auto. Nu stond ik naast de wagen naar de andere kant te kijken. En daar waren ze weer. Die rare wolken die ik ook had gezien op die ijskoude avond met code geel op de camping.

‘Ik zie alleen maar rare wolken, maar ze zijn wel echt heel raar en ze bewegen wel redelijk snel voor een wolk, misschien moet je eens komen kijken’.

En zo stonden we dan plots te kijken naar wat rare wolken, die voor onze ogen echt begonnen te dansen en zo onmiskenbaar na enkele minuten geen wolk meer waren.

En zo realiseerde ik mij: ‘Shit, als ik die avond op de camping drie Britten en twee Italianen had ontmoet, dan had ik de vreemde wolken die avond ook herkend voor wat ze waren: strepen noorderlicht’.

En toen strafte Gili Meno ons omdat we vertrokken uit het paradijs.

Gili Meno was fantastisch. We zaten vijf dagen op een semi-uitgestorven eiland zonder het lawaai van de duizenden scooters en geur van benzine. Correct, er reed een elektrische Hello Kitty scooter, maar dat tellen we even niet mee. We gingen opnieuw duiken, 6 keer. 6 keer lieten we ons weer verbazen wat voor een pracht er zich onder water bevindt.

Maar dan moesten we terug.

Theorie: Simpel. Je neemt de Public Ferry (koopje, slechts een kleine Euro per persoon!) en je staat in no time weer in Bangsal op Lombok.

Praktijk: Boten varen enkel als ze vol zitten (ongeveer 35 mensen). De eerste zou om 8 uur ’s morgens vertrekken, dus die zouden we gewoon laten passeren. We belden onze taxi-chauffeur (we hadden het hem beloofd), die al meegaf dat hij al in Bangsal zat te wachten (Merçi beaucoup Belgium!). De volgende boot zou ergens rond het middaguur vertrekken. Aangekomen bij het ticket office op Gili Meno (11:10) konden we nog geen tickets kopen, de boot zou vertrekken rond 12:00 en dan konden we ons ticket kopen. Even nog snel iets eten dan maar. Na tergend traag gegeten te hebben (12.15), konden we dan eindelijk tickets kopen. We hadden ticket 1 en 2, dit kon nog even duren. Ondertussen (13.05) begonnen er al wel wat mensen toe te komen, vooral locals. De toeristen die we zagen passeren, namen allemaal de speedboat. Een beetje sneller, maar ook 6 keer zo duur.

En dan (13.20): Mayhem! Iemand riep dat de boot naar Gili Meno zou vertrekken. Mooi zo, dachten we.

Mooi niet dus. Van overal, van waar precies is mij nog altijd niet duidelijk, kwamen mensen toegestroomd. En onze boot, bleek de kleinste van de vier boten te zijn die al 2 uur klaarlag (nummer twee van links). Iedereen wilde tegelijk instappen, en wij lieten ons professioneel langs alle kanten voorsteken. Er zat minstens 50 man op de boot en we waren slecht geladen.

Goed, je hoort dan van die verhalen dat die public ferries zinken en dat er dan weer zoveel mensen verdrinken. Je denkt dan bij jezelf: wat kan ons dat nu overkomen, dat is toch allemaal overdreven? Neem dan eens de boot van Gili Meno naar Bangsal in de namiddag, totaal overladen, op een ruwe zee. Aanvankelijk is dat allemaal nog plezant, een boot die denkt dat ze de Marie-Louise is en vrolijk op en neer door het water gaat. Vervolgens moet je een manoeuvre maken omdat een passerende speedboat toch wel voorrang blijkt te hebben en worden de golven nog wat groter.

Het is op dat moment, wanneer de locals beginnen te gillen en de kapitein beginnen te verwensen (gokken we) dat hij een beetje voorzichtiger moet zijn, dat we denken: volgende keer de speedboat nemen. Water spat vrolijk op de mensen aan boord. De gillende locals gaan op zoek naar zwemvesten. Eén iemand vindt een zwemvest – altijd bemoedigend – en klampt er zich aan vast. Op dat moment begin je aan overlevingstechnieken te denken: Waar zit dat zakmes om dat zeil hier kapot te snijden? Langs waar kan ik het best ontsnappen? Ondertussen helt de boot steeds verder over bij elke volgende golf.

En dan plots, de haven. Er breekt nog net niet spontaan een applaus uit. Iedereen is in een mum van tijd de boot af. Wij laten wat begaan. Pattooo (ja, met Drie ‘O’s’) staat al op ons te wachten. Radja Nainggolan, Eden Hazard, Fellaini, Romelu Lukaku. Hij kende ze nog steeds allemaal. Nog nooit zo blij geweest op vaste grond onder onze voeten te hebben.

Volgende keer toch maar de speedboat?